About a hidden treasure and cute, little Abby

Panglao Island was dus de plek waar we waren aanbeland, aan het begin van onze derde week op de Filippijnen. Een klein eiland vlak onder het grote eiland Bohol, eenvoudig verbonden met een brug. Panglao Island staat vooral bekend om één strand – Alona Beach – met een overschot aan resorts en duikcentra. Omdat we toch naar Bohol wilden en redelijk ruim in onze dagen – en daarmee flexibel in ons reisschema – zaten, hadden ook wij besloten om dit meer toeristische oord aan te doen. Wel even wennen in vergelijking met de eerder bezochte eilanden. Een overschot aan chauffeurs die je een rit met hun tricycle willen aanbieden, een brommer willen laten huren, parelkettingen willen verkopen, enzovoorts?

Zoals gezegd verbleven wij in een hotel iets minder dicht bij het strand, vooral omdat we behoefte hadden aan een zwembad en fijne bedden. Toch was het slechts enkele minuten lopen van ons hotel naar Alona Beach, waar ook wij de eerste ochtend – na de avond ervoor in de Belgische Frietkot en een potje pool – op zoek gingen naar een toko die ons voor niet al te veel geld nog eens mee onder water wilde nemen. Uiteindelijk vonden wij een duikcentrum die ons voor diezelfde middag rond half 3 een duik aanbood voor een redelijke prijs. Slechts 1000 peso’s (20 euro) voor mij en 1500 peso’s voor Dennis omdat hij z’n Discover Scuba Diving inmiddels achter de rug had, 2 dagen ervoor. De tussenliggende tijd brachten we door aan het zwembad bij ons hotel en genoten we van een lunch, wederom bij diezelfde Belgische Frietkot waar ze dus ook prima lokale gerechten konden bereiden. De duik zelf was dit keer iets minder spectaculair qua onderwaterleven in vergelijking met wat we op Apo Island gezien hadden, maar het leuke was wel dat we dit keer met een boot het water op gingen en onszelf met duikuitrusting en al vanaf de boot achterover het water in konden laten vallen. Iets wat Dennis graag ook eens gedaan wilde hebben. We gingen tot 14 meter diep, doken langs een groot rif onder water, waar we vooral veel ‘lion fishes’ zagen, een octopus en uiteraard was Nemo weer van de partij. Bij terugkomst aan land, dronken we een rum cola omdat het happy hour was en om te vieren dat we die dag een jaartje samen waren 🙂 Het is hier niet gek als dat happy hour langer dan een uurtje duurt trouwens, van 12 uur in de middag tot een uur of 9 in de avond bijvoorbeeld. Bij gebrek aan beter aten we ook die avond weer bij onze Belgische vrienden: Sizzling Crocodile, gamba’s en coquilles.

Ook die avond was het duidelijk dat de blanke, vaak oudere mannen aan de bar, niet gezellig met elkaar op seniorenreis waren. Je ziet hier vaker een soort van stamkroegen voor de Westerse mannen die hier blijkbaar een (vaste) relatie gevonden hebben, maar nog wel de behoefte hebben om met regelmaat eens bij te praten met volk van hun eigen afkomst. Niets mis mee op zich, maar vaak klopt de verhouding qua leeftijd niet. Verre van niet. En dan ga je toch speculeren over hoe dat zo gekomen is en wat erachter zit, veroordeel je als snel de mannen en krijg je medelijden met de meisjes. Ik zal onze gedachtes jullie gespaard laten, maar ik kan zeggen dat het ons gefascineerd heeft gedurende onze reis.

Zo was het alweer dinsdag, de dag waarop we Panglao Island verruilden voor Bohol Island. We namen wederom een tricycle over de brug terug naar de grote shopping mall, waar we op onze heenreis langsreden. Met al onze bagage wisten we ons daar een uurtje te vermaken, maar veel was er niet te zien. Als kleding maat XL nog te klein voor je is en schoenen maat 44 ook niet te vinden zijn, dan houdt het winkelplezier snel op. We gingen nog even langs de apotheek, pinden nog wat geld en lieten ons met achtereenvolgens een tricycle, jeepney en bus naar onze accommodatie op Bohol brengen: Nuts Huts, al met al toch weer een dagje reizen vanaf Panglao Island. Nu ligt Nuts Huts dus middenin de jungle en moesten we nog bijna een kilometer met onze bepakking over een onverharde weg lopen om bij het jungle resort aan te komen. Een lange steile trap naar beneden bracht ons naar het restaurant en nog veel meer trappen verder naar beneden naar ons huisje. Het was even omschakelen hier na de relatieve luxe op Panglao Island. Geen Wifi om jezelf mee te vermaken (wel een tafeltennistafel en ouderwetse spelletjes), een vochtige en klamme omgeving, waar je kleren niet drogen en vooral niet frisser gaan ruiken, terwijl je die immense trap elke dag een keer of wat omhoog moet om alleen al je ontbijt te kunnen nuttigen. Het huisje waarin we verbleven was op zich prima, het was er alleen wat donker, ook overdag. En in zo’n jungle weet je dus nooit zeker wat er onder je bed zou kunnen zitten… Douchen was een kwestie van naast de wc-pot gaan staan, een kraantje aan een buis boven je hoofd open draaien en wachten totdat het koude water naar beneden klettert. De wc doorspoelen was vanaf nu (en op latere plekken) een handmatige bezigheid: er stond een emmer met een soort van grote plastic schep naast het toilet om water mee in het toilet te scheppen. Ik kan je zeggen, dat werkt dus lang niet altijd. De bedden stonden niet alleen van elkaar gescheiden, maar hadden ook elk hun eigen klamboe en flinterdun matras. Maar goed, wat wil je voor 900 peso’s (18 euro) per nacht. We lieten onze kleren zoveel als mogelijk in de tas en hoopten elke nacht ongeschonden door te komen…

De eerstvolgende dag op Bohol huurden we een scooter, om daarmee in één dag toch zoveel mogelijk van het eiland te kunnen zien. We reden naar de beroemde ‘Chocolate Hills’, opmerkelijk gevormde heuvels die in de droge zomermaanden (niet nu dus) chocoladebruin kleuren. Men zegt dat ze door de tijd gevormd zijn door omhoog gedrukt koraal in combinatie met regenwater en erosie, maar dit is nog nooit bevestigd. Locals denken daarom dat de heuvels zijn ontstaan door de tranen van een reus met liefdesverdriet, maar ook dat heeft niemand ooit kunnen bevestigen… Helaas was het bewolkt en het zicht slecht, de mooiste foto’s hebben we hier dus niet aan over gehouden. Na de Chocolate Hills bezochten we een waterval die niet de moeite waard is om meer dan een regel in dit blog aan te wijden en reden we naar het kustplaatsje Jagna waar twee dagen later onze ferry naar Camiguin zou vertrekken. Aangezien de ferry naar Camiguin er tot juli dit jaar van de een op de andere dag een aantal maanden uitgelegen had omdat hij niet voldoende rendabel bleek, waardoor veel reizigers het eiland niet anders konden bereiken dan per vliegtuig en de locals ook nu twijfelden of hij wel vaarde, leek het ons goed om het zelf even te checken. Gelukkig stond hij nog steeds in de planning, elke maandag, woensdag en vrijdag om 13 uur. 

Na Jagna wilden we onze ronde van 140 kilometer via de kust terug naar de jungle afmaken, na eerst nog even ergens wat lunch tot ons genomen te hebben. De broodjes bij de bakker in Jagna hielden we dit keer even voor gezien, dus stapten we op de scooter om hopelijk verderop iets leukers tegen te komen, waar we ook even rustig konden zitten. Nadat we die hoop bijna opgegeven hadden, reden we plotseling langs een plek met een uithangbord ‘Burgers & Juices’. Eenmaal door de toegangspoort zagen we echter veel meer dan een restaurant: een soort van oase met zwembad, zeezicht, een super mooi en bijzonder vormgegeven complex, met een wenteltrap die leidde naar een gezellig barretje bovenin met een statafel, een bankstel en een kerstboom. We namen plaats op een barkruk aan de tafel en beseften al gauw dat dit meer was dan zomaar een restaurant. Het gebouw bleek bewoond en ontworpen te zijn door een Amerikaanse man met zijn Filippijnse vrouw. Ze woonden er zelf en ontvingen gasten in hun eigen bar om wat geld te verdienen. We vroegen meteen of ze een kamer voor de volgende nacht beschikbaar hadden, omdat we toch deze kant op moesten onderweg naar de ferry in Jagna. “Nog één” zei ze, wat achteraf ook de enige kamer bleek te zijn, voorheen hun eigen slaapkamer en nu een kamer om mogelijk te gaan verhuren. We besloten direct om onze laatste nacht in de jungle om te ruilen voor een nacht in deze oase en boekten de kamer, die maar iets duurder was dan onze kamer in de Nuts Huts, nu zelfs inclusief ontbijt. Ookal zouden we niet onder de kosten van onze reeds geboekte nacht in de Nuts Huts uit kunnen komen, dan nog hadden we het geld ervoor over om hier een nacht te mogen verblijven. We aten onze verrukkelijke burger, voordat Dolores – de vrouw des huizes – ons de betreffende kamer liet zien. “Ik hoop dat hij groot genoeg is”, zei ze. Het bleek een immense kamer met mega groot bed, een mega grote douche, een televisie, een zithoek, air-conditioning en zeezicht. Hoewel het er al top uit zag, zei ze dat ze de lakens en de gordijnen nog zou vervangen, wat ze van plan was bij de eerste gasten, maar verder was hij helemaal voor ons! We hoefden niet meer dan onze namen te noteren en beloofden er de volgende dag te zijn.

Jubelend van blijdschap stapten we op onze scooter en reden we de lange weg langs de kust terug naar ons klamme bed in de jungle. Dat het onderweg nog even regende en we opnieuw onze zorgvuldig meegesleepte poncho’s juist nu niet bij ons hadden, maakte ons niet zoveel meer uit. Terug bij de Nuts Huts deelden we mee dat we de volgende dag zouden vertrekken, wat geen enkel probleem bleek. Aangezien we die middag redelijk vroeg ‘thuis’ waren, speelden we die middag een potje Rummikub, maakten we gebruik van een primitieve sauna (opgestookt met herbal bladeren, waarvan de rook een bamboe hutje in geblazen werd), namen we nog maar eens een pijnlijke, maar overheerlijke massage, maakten we onze plannen voor de dag erna en eindigden we de avond met een potje ‘Mens-Erger-Je-Niet’, die z’n naam weer eer aan deed. Om 22 uur moesten we helaas naar bed, omdat het restaurant dicht ging, dus veel langer konden we de avond niet rekken ter verkorting van de nacht die voor ons lag. Hoewel het meteen alweer de laatste nacht in de jungle zou zijn, werd het voor mij een oneindig lange en vermoeiende nacht, waarin ik geen oog dicht deed door de pijn in mijn rug, bezeerde schouders en hoofd door het veel te dunne matras en te harde kussen. 

De volgende morgen werd ik ellendig en met nul voorraad aan energie wakker, maar gelukkig lag er die dag iets moois in het verschiet 🙂 We pakten onze spullen, ontbeten vroeg en zeiden gedag tegen weer een bijzondere ervaring in de jungle, die we toch niet hadden willen missen. Ik sleepte mezelf in stilte met zware bepakking over het onverharde pad terug naar de bewoonde wereld, waarna Dennis het voortouw nam om de rest van het vervoer te regelen. We wilden die ochtend graag nog even langs de Tarsier Sanctuary, omdat die spookdiertjes uitstervend zijn en daarmee ook een van de bekende activiteiten op Bohol. We namen de eerste jeepney die langs reed terug naar Loboc om over te stappen op een busje richting de sanctuary, helaas liet dat busje nog even op zich wachten. Terwijl ik als een hoopje ellende in het park op een bankje lag, genoot Dennis van verse broodjes van de bakker, redde hij onze baggage van een stroom water die plotseling over de straat kwam aanzetten, waarna de bus er toevallig ook net aan kwam rijden. In alle hectiek van het redden van onze bijna overspoelde tassen, het stoppen van de langverwachte en sporadische bus en het op orde brengen van het ellendige hoopje Dees, vergat Dennis vervolgens de zak met overgebleven verse broodjes van de plek waar hij zat te wachten op de bus. Ach, ik had tot aan de volgende dag toch geen honger.. De bus bracht ons na een lange rit bij de sanctuary om de tarsiers te bekijken, waar ik mezelf als een slappe vaatdoek doorheen sleepte met een foto hier en daar, maar ondanks dat toch een leuk uitstapje. Het was maar een klein parkje met 4 van die beestjes die we tijdens een korte tour op de foto mochten zetten, dus we stonden redelijk snel weer buiten. Hoewel we liefst zo snel mogelijk bij de poort van de oase wilden aankloppen, kostte het nog zeker een uur of 3 om daar met een aaneenschakeling van jeepneys en bussen te komen. Wát was ik opgelucht, toen bleek dat het niet slechts een droom was geweest. Dat het heerlijke bed daadwerkelijk voor ons klaar stond en ik de gastvrijheid en zorgzaamheid van Lance en Dolorus juist op die dag meer dan goed kon gebruiken. Terwijl ik na een poging tot eten, m’n bed op zocht voor een einde-middag-dutje, kon Dennis zich prima vermaken in het zwembad en het uithoren van Lance, over hoe hij tot het bouwen van zoiets moois in staat was geweest. Na een uur of 2 werd ik wakker en hoorde ik dochtertje Abby m’n naam roepen “where is Auntie Des’ray?”, dus besloot ik de dag weer eens een kans te geven. Na wat verse vruchtensap, veel (gratis) vers water en gezelligheid van de lieve en vrolijke Abby, knapte ik weer een beetje op. Nu we weer fatsoenlijk internet hadden, kon ik die avond eindelijk m’n vorige blog online zetten.

Aangezien we inmiddels gewend waren om vroeg gewekt te worden door blaffende honden, danwel kraaiende hanen, zat het er inmiddels een beetje ingesleten dat we ook hier om een uur of 6 automatisch wakker werden. Onze ferry vanaf Jagna vertrok pas om 13 uur, dus hadden we nog een lange ochtend om nog even te chillen ons zo-goed-als privé zwembad, te genieten van een heerlijk ontbijt van Dolorus, te knuffelen met Abby, les van haar te krijgen over de rijkheid aan planten die om hun enorme huis groeiden en foto’s van de prachtige oase te maken, omdat we hoe dan ook Lance en Dolorus zouden helpen om deze plek op de kaart te zetten. Ze zijn pas sinds oktober dit jaar ‘open’ en proberen er nu langzamerhand een meer commercieel gebeuren van te maken voor feesten, partijen, diners en dus ook overnachtingen. Lance vertelde over alle plannen die hij nog heeft en vroeg tips aan ons voor de menukaart en hoe hij bekendheid kon krijgen onder de reizigers op de Filippijnen. We zullen ‘m eens een handje helpen als we terug zijn: zoals Airbnb, TripAdvisor en een mailtje naar Lonely Planet. Natuurlijk kon Lance het niet laten om z’n net verkochte auto (om een stuk grond voor een toekomstige parkeerplaats naast het huus te kunnen kopen), te lenen bij de buurman om ons naar de ferry in Jagna te brengen, hoe vaak we ook zeiden dat we net zo gemakkelijk de doorgaande bus voor de deur konden pakken. Hoewel ik genoot van het vooruitzicht naar een nieuw avontuur op Camiguin Island, vond ik het voor het eerst wat lastig om afscheid te nemen. Dit keer van een familie, waar we toch één nachtje soort van onderdeel van zijn geweest. 

Je kon merken dat iedereen nerveus was of de ferry in Jagna wel echt zou gaan. Gelukkig waren we er op tijd en konden we na het betalen van het ticket, de terminal fee en boat fee (ze vinden altijd iets om extra geld te verdienen hier), plaatsnemen in een wachtruimte voordat onze tocht van 4 uur (afhankelijk van het weer) van start ging. De overtocht was prima, we konden in de openlucht op het voordek in de zon verblijven en genoten van het uitzicht naar het imposante Camiguin dat voor ons lag en de vliegvissen die langs de boot zwommen. Rond een uur of 5 werden we afgezet in de haven en namen we samen met 4 andere backpackers voor 50 peso’s (1 euro) per persoon een klein busje naar onze accommodatie. Camiguin staat met name bekend om het feit dat er meer vulkanen per vierkant kilometer zijn dan op elk ander eiland op aarde. Wellicht mede door het onbetrouwbare (en beperkte) vervoer is dit eiland ook relatief rustig qua toeristen. Voor ons vooral een plek om weer wat actiefs te ondernemen, vandaar dat we als onderkomen voor het Action Geckos Resort hadden gekozen. Deze bleek gerund te worden door een Nederlands-Zweeds stel, die helaas ook de meer Europese prijzen hadden aangehouden. Gelukkig hadden we tijdig een goedkope traveler room geboekt, want de zogenaamde beach bungalows waren hier onbetaalbaar (ver uit verhouding met de prachtige bungalow daadwerkelijk op het strand, waarin wij op Siquijor verbleven). Ook de gastvrijheid van het stel hield te wensen over, na een kort welkomstpraatje van de jonge Nederlandse eigenaar (en tevens duikinstructuer) bij onze aankomst, hebben we in de twee dagen erna niets meer van hem vernomen, terwijl hij toch de hele tijd in en rond het resort aanwezig was. Vermoedelijk was hij niet blij met het feit dat we zijn aanbod voor een (zelf te betalen) upgrade naar een bungalow afsloegen en ook geen gebruikte maakten van de door hun georganiseerde activiteiten.

Zaterdag, de eerste dag op Camiguin Island hadden we liefst op een mountainbike doorgebracht. Maar aangezien het huren van één mountainbike hier net zoveel kost (500 peso’s) als het huren van een brommer waar je met twee personen op kunt, en ook de kwaliteit van deze mountainbikes te wensen over liet, kozen we na een poging tot onderhandelen toch voor de brommer. De eigenaar van de mountainbikes had er toevallig één voor slechts 350 peso’s voor ons te leen, die van de buurman. Na een korte uitleg over de werking van deze schakelbrommer en het regelen van een tweede (mountainbike)helm – want alleen voor de bestuurder is een helm van belang, aldus de Filippino’s – konden we op pad. We kregen een kaart van het eiland mee waarop een aantal highlights waren aangekruist, die we een voor een besloten af te gaan. Het was echter weekend, dus jeepney’s volgeladen met toeristen hadden hetzelfde plan. Bij elke bezienswaardigheid kwamen we dezelfde jeepney’s tegen. Na een eerste tegengevallen waterval en een Cold Spring waarvoor je entree moest betalen, besloten we iets selectiever te zijn tijdens onze route. Bij de volgende Cold Spring – omgetoverd tot soort van natuurzwembad – hebben we toch de minimale entree betaald en een verfrissende duik genomen, waarna we het eiland driekwart rondreden om te gaan lunchen bij een bekend visrestaurant. Onderweg tankten we nog even een colafles gasoline, die door de locals gevuld en aan huis verkocht worden. Na de lunch reden we vrij rap door naar ‘huis’ en brachten we de brommer terug, nadat we nog even wat boodschappen voor de volgende dag hadden gehaald in een dorpje vlakbij. We waren beiden niet helemaal fit, Dennis liet z’n avondeten er zelfs aan beide kanten weer uitlopen (zou het de bijzondere vis in het restaurant zijn geweest?), dus we gingen op tijd naar bed.

De laatste dag van de derde week en tevens de laatste dag op Camiguin besteedden we aan een flinke wandeling op de meest recente actieve vulkaan van Camiguin: Mt. Hibok Hibok. Deze vulkaan van 1320 meter hoog was in 1951 voor het laatst actief, met 600 doden als gevolg. De meneer van de mountainbikes en de schakelbrommer, bleek tevens een gecertificeerd (door wie?) gids om de vulkaan te beklimmen. Na afloop van de mislukte onderhandeling over de mountainbikes (want die verhuurde hij namens iemand anders), kon hij ons wel een tocht naar de vulkaan aanbieden, voor zeker een kwart van de prijs die ons resort ervoor vroeg. We moest daarvoor de volgende dag om 05:00 uur klaar staan aan de grote weg, waar hij ons zou oppikken om ons naar het startpunt van de hike te brengen. Daar kwam hij, wederom met diezelfde schakelbrommer, waar we nu dus (op z’n Filippino’s) met 3 man op moesten. Na een klein kwartiertje rijden zette hij ons in het donker op een weggetje af waar zijn neefje Nico op ons stond te wachten, die onze gids voor de dag bleek te zijn. Hoewel ons de dag ervoor verteld was dat we een speciale route liepen die maar een uurtje omhoog was en 3 uur naar beneden, bleek dat al gauw een fabeltje. Het was een uitdagende route met daardoor inderdaad weinig andere toeristen, maar het kostte ons toch 5 uur om bovenaan de top te komen. Ik kan je vertellen dat dat een lange tocht is, 5 uur aaneengesloten een berg opklimmen, als je beiden niet helemaal fit bent na de avond ervoor. Nico vond het in elk geval een mooie grap dat z’n oom het op die manier aan ons verkocht had en kon er maar niet over uit “did he really say one hour?!?”. We hadden het advies gekregen om 3 liter water per persoon mee te nemen die dag, die hebben we ook volledig gebruikt. Verder hadden we zelf cake’jes, energiekoekjes en oreo’s als ontbijt/tussendoortje/lunch mee genomen, want veel beters is hier niet te verkrijgen. We stopten gelukkig zeer regelmatig om op adem te komen, om even wat te eten, of om Nico wat tijd te geven om een sigaretje te roken. Na een lange, vermoeiende en spannende tocht kwamen we op het hoogste punt uit en waren er gelukkig niet al teveel wolken om toch wat mooie foto’s te maken. Het was maar een klein open plekje, die top, dus na een kwartiertje hadden we het wel gezien en begonnen we aan de afdaling. Die was al net zo spannend, dwars door een soort van regenwoud met gladde stenen, rottende bladeren op de grond, stekende planten naast je die je dus echt niet vast moest pakken als je bijna viel en stukken achterwaarts afdalen omdat ze te stijl waren.

We waren opgelucht, doodmoe en voldaan toen we na meerdere valse ‘we’re almost there’-beloftes van Nico, het eindpunt, de Hot Springs, bereikten. Nico hield z’n oom tijdens de weg naar beneden op de hoogte van onze voortgang, dus die stond ons al op te wachten. Terwijl Nico door Uncle Tyson op de schakelbrommer thuis werd gebracht, konden wij nog even genieten van het warme water in de spring. Een minuut of 20 later konden ook wij achterop de brommer springen, waren we rond 15 uur thuis en deden we die dag niet meer dan douchen, slapen, liggen, slapen, eten en slapen. We waren kapot (en de spieren in onze bovenbenen 3 dagen later nog).

De volgende dag stond de wekker opnieuw veel te vroeg, om onze naar onze laatste bestemming van deze fantastische reis te brengen: Boracay Island.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: