“Kijk uit Malloot, een kokosnoot!”

Terwijl ik ergens middenin de jungle op het eiland Bohol in gevecht ben met het zweet dat onophoudelijk langs m’n lichaam gutst, denk ik terug aan een mooie week eilandhoppen, die achter ons ligt.

Zo ging de week van start met wederom een enerverende reisdag om van het eiland Palawan naar Moalboal op het eiland Cebu te komen. Een relatief lange rit zoals die van El Nido terug naar Puerto Princesa, kun je hier het beste met een Van (12-persoons busje) afleggen, waar je voor zo’n 700 peso’s (14 euro) al gauw 7 uur voor in de bus mag zitten. Dat er in zo’n busje ook prima meer dan 12 mensen passen, ervaarden we al gauw toen we onze medepassagiers op het busstation van El Nido gingen ophalen. Hoewel het busje na 13 personen (inclusief chauffeur) echt wel vol leek te zitten, bleken er nog zeker 2 mensen bij te moeten. De achterbank bood plek aan 4 mensen (wij samen met een Russisch stel), de rij voor ons was een twee persoonsbank links en een losse stoel aan de rechterkant, met een ruimte er tussenin voor de passagiers op de achterbank om eruit te kunnen. Dat de Filippijnen bedacht hadden dat daar best een op maat gemaakt (half) stoeltje tussen kon om in die rij eveneens plaats te kunnen bieden aan 4 mensen, bleek al snel. Dennis had nu juist die (ruimere) plek op de achterbank gekozen om z’n benen nog wat te kunnen strekken, waardoor dat stoeltje bovenop z’n voeten terecht kwam en dus niet paste. Daarop werd Dennis vriendelijk verzocht om op de enkele stoel de rij ervoor plaats te nemen, zodat een klein Argentijns meisje naast mij kon zitten en die extra halve stoel er wel tussen paste, waarmee Dennis samen met een andere Argentijnse schone de reis op 1,5 stoel mocht doorbrengen. Op de achterbank zaten we vervolgens volledig ingesloten, met onze rugzak een uur of 5 op schoot en de knieën tegen de stoel ervoor gedrukt. De voorste bank van de drie rijen achterin de bus, bood ook plaats aan 3 mensen op een 3-persoonsbank, dus ook daar zou nog wel een tailor-made stoel naast passen, vonden onze chauffeurs. Een stoel die half op het afstapje naast de openschuivende deur zou passen, wederom voor Dennis z’n voeten met nauwelijks beenruimte tot gevolg. Gelukkig schreeuwde de hele bus volmondig ‘No Way!’, daar gingen we niet mee akkoord. Met 14 man in het 12-persoons vertrokken we uiteindelijk richting Puerto Princesa. Blijkbaar was de weg terug voornamelijk bergafwaarts en waren we na wederom een lunch bij Halfway, dit maal na een uur of 5 al bij het vliegveld.

We waren door de meevaller echter een uur of 3 te vroeg voor onze vlucht, dus vermaakten we ons bij een klein restaurantje naast het vliegveld met het eten van Sizzling Crocodile Sisig, het schrijven van m’n vorige blog en Dennis met het lezen van z’n favoriete tijdschrift. Na de vlucht van het eiland Palawan naar het eiland Cebu, hadden we ons voorgenomen om wederom een Van te nemen die ons naar Moalboal zou brengen, een plaatsje aan de andere kant van Cebu. Hoewel de taxi-chauffeur die ons van het vliegveld naar de busterminal bracht ons probeerde over te halen om ons door hem naar Moalboal te laten brengen, hielden we toch vast aan ons plan. De taxi-rit duurde even en onderweg raakten we al in twijfel, de duisternis viel in, het zou nog best een stuk rijden zijn en hoe zouden we straks onze accommodatie vinden als het busje ons ergens middenin het dorp zou afzetten…? We werden niet veel zekerder van onze zaak toen we de enorme en donkere parkeerplaats met ontelbaar veel witte busjes opreden. Dennis verzocht de taxichauffeur te blijven wachten en ging ondertussen op onderzoek uit, terwijl we meteen al belaagd werden door mannetjes die ons de betreffende busrit probeerden aan te smeren. Het busje naar Moalboal dat er nog stond was al (over)vol en de volgende zou een uur later pas vertrekken, waar we dan maar op moesten vertrouwen… We konden daarvoor plaatsnemen op een rij plastic stoeltjes, waar je het komende uur niet vanaf zou mogen, omdat je plaats in de eerstvolgende bus dan vergeven zou zijn. Een bus die ons pas rond een uur of 12 in Moalboal zou afzetten, niet wetende hoeveel mensen ze nou weer in zo’n busje zouden stoppen… Hoewel de Van ons slechts 200 peso’s (4 euro) zou kosten, besloten we toch door te reizen met onze vriendelijke taxi-chauffeur, die ons voor 2000 peso’s (40 euro) 2,5 uur later al rond een uur of 9 voor de deur afzette. 

Fijn om op zo’n moment onze app ‘Here’ te kunnen raadplegen, die zelfs offline laat zien waar je bent en hoe ver je nog af te leggen hebt. ‘Here’ wist in de weken erna overigens vaker raad, als we ‘m nodig hadden (bedankt Paps, voor de tip!). Extra blij waren we met ons besluit om de taxi te nemen toen bleek dat ons Tipolo Beach Resort ook nog eens vrij afgelegen aan het strand lag én onze boeking om de een of andere reden niet was doorgekomen en we nog net een kamer konden regelen voordat de receptie rond 22:00 uur dicht ging.

De dagen erna vermaakten we ons prima met wat eerste actieve bezigheden en daarmee ook het doel van ons bezoek aan Moalboal. De eerste dag besloten we mee te gaan met een canyoning tour, of ‘water climbing’, zoals de activiteit eigenlijk heette. Met canyoning glij/spring/zwem je van een rivier met watervallen en lagunes stroomafwaarts naar beneden, wij klommen juist omhoog daar waar de rest naar beneden ging. Een stuk uitdagender met een aantal lastig klimmetjes, tegen de stroming van de watervallen in. Maar ook wij sprongen daar waar het kon van een klif naar beneden, om vervolgens elders weer omhoog te klimmen. Eigenlijk hadden we dus het voordeel van beide activiteiten in één! We sloten de tocht af met een sprong van 13 meter van een klif naar beneden in het heldere water. Da’s dus een kwestie van je angst bovenop de klif achter je laten en gewoon springen! Oh, en je armen bij je lichaam houden, want ik bezeerde m’n reeds verzwakte rechterschouder flink door de klap op het water, wat met het reizen met een backpack niet prettig is, kan ik je vertellen… We mochten nog een keer springen, maar we hielden het voor gezien. Zo’n adrenaline-opwekkende sprong is vooral de eerste keer leuk, omdat je jezelf over de angst heen zette, bij die herinnering moet je ’t mooi laten. De tocht was extra plezierig door onze gids ‘Mario, de Action Man’, zoals hij ook bij lokale omstanders bekend bleek te zijn, bleek al gauw. Hij daagde ons flink uit om de meest lastige routes te nemen en maakte er een gezellige ochtend van, samen met onze twee Duitse mannelijke metgezellen. Bovenaan de berg was ons eindpunt, wat voor de andere groep die stroomafwaarts ging dus het startpunt was geweest. Mario bestelde eerst nog even twee literflessen San Miguel Pilsen bij het huisje bovenaan, die we soldaat maakten voordat we in het busje terug naar beneden stapten. Beneden bij ons startpunt (voor de andere groep dus het eindpunt), konden we genieten van een heerlijk klaargemaakt lunch met rijstpakketjes, vis, inktvis en andere lekkernijen. Ik was vooral ook blij dat m’n iPhone het weer overleefd had in het vermoedelijk waterdichte hoesje van de Action en we – zonder waterdichte camera of popi-jopi GoPro – toch een paar leuke foto’s en filmpjes hadden kunnen maken onderweg.

De tweede dag in Moalboal huurden we twee mountainbikes voor een mooie tocht door de omgeving. Ik ben al zolang als we hier zijn gafascineerd door de vele scholen en de kinderen die netjes in tenue op de tricycle naar school worden gebracht, dus stopten we onderweg bij een schooltje waar we onszelf bij een van de klaslokalen uitnodigden om een kijkje te nemen. We werden uitbundig door de leerlingen ontvangen en de lerares vertelde wat leuke wetenswaardigheden. De verdere tocht was mooi en verliep redelijk rustig, al kon het natuurlijk niet anders dan dat ikzelf nog even een mooie duikvlucht over m’n stuur moest maken vanwege notabene een enkele kokosnoot, midden op het pad. Een geschaafde – en zo bleek later bont en blauwe – elleboog en nóg een pijnlijke (ditmaal linker-)schouder tot gevolg. Geloof mij, met twee geblesseerde schouders zijn jij en je backpack écht geen vriendjes meer.

Helaas konden we slechts 2 nachten in Tipolo blijven, dus verhuisden we voor de laatste nacht naar SeaTurtleHouse (nadat we ons eerst per ongeluk bij Turtle Bay hadden laten afzetten, what’s in the name). Ach, je hebt de tijd als je op reis bent moet je maar denken… Ons verblijf bij SeaTurtleHouse was niet noemenswaardig, op onze wandeling in zee na, waarbij we onze spullen even veilig een meter of 10 van de vloedlijn op het droge strand achter lieten. Zoals dat vaker gaat bij mij, hebben we m’n telefoon – die ogenschijnlijk veilig op m’n slippers lag – uiteindelijk toch maar nét op tijd voor het opkomende water (en m’n inmiddels drijvende slippers) kunnen redden…

We waren alweer halverwege de week, toen er op woensdag weer een reisdag gepland stond (tricycle-bus-tricycle-ferry-tricycle-bangka). Om iets na 6 uur stond de tricycle die we voor 7 uur besteld hadden bij SeaTurtleHouse klaar om ons naar het centrum van Moalboal te brengen, om daar vervolgens een bus naar Bato te nemen. We besloten om het bekende Oslob over te slaan, alwaar je met walvishaaien zou kunnen zwemmen. De Lonely Planet vertelde ons dat het een té toeristisch en opgezet gebeuren was, wat later door mede-backpackers bevestigd werd. We kozen daarvoor in de plaats voor een bezoek aan Apo Island. De tricycle chauffeur zette ons in het centrum van Moalboal af bij een afdakje, waarvan je maar moet geloven dat juist daar op een gegeven moment de juiste bus stopt. We haalden nog wat broodjes bij de de bakker aan de overkant en pinden nog wat extra geld, totdat er een grote gele touringcar aan kwam rijden. Dat bleek een comfortabele rit van 1,5 uur mét film onderweg. Stoppen deed de bus nauwelijks, of je merkte het niet omdat de locals haast uit de rijdende bus sprongen bij een halte. In Bato zette de touringcar ons af en waren we genoodzaakt om weer een tricycle naar de haven te nemen. Na een half uurtje wachten was de Ferry gearriveerd die ons in een klein uurtje naar Dumaguette op Negros Island bracht. Ook daar vlogen de tricycle chauffeurs ons haast om de nek en blijft het lastig om ze te negeren en naar alternatief vervoer te zoeken als je een bepaalde boot wilt halen, je niet precies weet waar je heen moet en welke opties je hebt qua vervoer. We kozen dus toch maar weer voor een tricycle die er 40 minuten over zou doen, wat later ruim een uur bleek, om ons naar Malatapay Beach te brengen vanwaar een bangka naar Apo Eiland zou vertrekken. 

Uiteraard werd ons eerst een dure privé-bangka aangesmeerd voor 1500 peso’s (30 euro). We besloten een uur of 3 te wachten op de reguliere boot, waar we voor 300 peso’s (6 euro) mee zouden kunnen. Nog voordat we op weg konden om in de tussenliggende tijd de naastgelegen markt te bezoeken, werd ons voor datzelfde geld een plek op een andere bangka aangeboden waarmee locals met hun inkopen terug naar huis gingen op Apo Island, waar we direct op mee konden varen. Dat alleen wij een zwemvest kregen, lag zeker toch aan de prijs die we betaald hadden. Op het eiland aangekomen wandelden we een stukje de berg op naar ons onderkomen: Mario Diving Homestay. Een soort van backpackers annex duikers hostel. Een erg relaxte accommodatie, waar we aten wat de pot schafte, onbeperkte aanmaakkoffie konden drinken en onze overige genuttigde drankjes zelf bij konden houden op een turfbord. Diezelfde middag huurden we een snorkelset om in een afgebakend stuk zee onderaan de berg (bekend als het Turtle Feeding Station) zeeschildpadden te gaan bekijken. En die zagen we, zeker een stuk of 5, je kon ze zelfs aanraken zo dichtbij als ze waren!

Nu we toch in een duikoord zaten, konden we er eigenlijk niet omheen… Hoewel Dennis nog wat huiverig was omdat hij ook met vliegen last heeft van z’n oren en een duik om die reden nog niet eerder geprobeerd had, besloten we om in de ochtend toch een poging te wagen. Ikzelf heb m’n PADI in Australië precies 4 jaar geleden gehaald, maar heb me in de tussentijd vooral met andere sporten bezig gehouden, dus ik kon ook wel een opfriscursus gebruiken. Voor Dennis was er het Discover Scuba Diving arrangement, waarbij hij de beginselen van het duiken aangeleerd kreeg. Na de uitgebreide instructie bij het ‘hostel’ en het aantrekken van het hele gebeuren (pak, schoentjes, weightbelt, BCD, duikbril), wandelden we enigszins nerveus met bepakking en al tussen de huisjes van de locals de berg af en mochten we eerst in ondiep water een viertal oefeningen doen, om te laten zien dat we de basisskills beheersden om vertrouwend mee onder water te gaan. Zo moet je onder andere weten hoe je een (deels) volgelopen duikbril onder water leeg maakt, hoe je je mondstuk terug vind (en kalm blijft) mocht deze uit je mond raken en laten zien dat je elkaars nood-mondstuk kunt gebruiken (ofwel samen uit 1 zuurstoftank ademen), mocht je onder water zonder zuurstof komen te zitten. We slaagden voor de test en mochten mee het diepere water in. Dennis bleek natuurlijk weer een natuurtalent, bij mij kwamen de herinneringen van 4 jaar terug ook al snel weer boven. We maakten een rondje langs de schildpadden en zagen op 12 meter diepte mooi koraal en veel vissen – ook Nemo was weer van de partij -, toch weer een hele andere beleving dan snorkelen aan de oppervlakte.

De rest van de dag brachten we door met een lunch bij het hostel en een wandeling naar een afgelegen strandje. Met een fles rum en 4 flesjes cola liepen we rond 5 uur richting het strand om aldaar de zonsondergang te bekijken. Blijkbaar is het strand rond die tijd dé plek voor de locals, en dan met name de kinderen die pas net uit school zijn, om even lekker te spelen. Samen met een groepje kinderen gooiden we steentjes naar een stuk tafelpoot op het strand om die van een afstandje om te gooien. Ik weet niet waar ik de skills vandaan haalde, maar ik gooide de totempaal de ene na de andere keer om, wat begon met een verbaasde blik van de kinderen, zelf maakte ik er maar een feestje van door elke keer te juichen als iemand de tafelpoot wist om te gooien. Het was een feestje 🙂

Zo was het alweer vrijdag. Om 7 uur namen we samen met een 4-tal andere backpackers een privé bangka terug naar het eiland Negros, alwaar we inmiddels wat beter wisten om te gaan met de aandringende tricycle-chauffeurs en naar de grote weg liepen om aldaar voor het eerst een jeepney terug naar Dumaguette te nemen. Een jeepney is een soort van omgebouwde legertruck, waar je voor 20 peso’s (40 cent) kan instappen door gewoon langs de weg te gaan staan. Uitstappen gaat ook door tegen de metalen railing onder het dak te tikken, waarna de chauffeur stopt om je eruit te laten. De ene jeepney is vaker nog meer volgeladen dan de andere; tassen op het dak, boodschappen van de locals, mensen die aan de buitenkant hangen omdat er binnen geen plek is, elke keer weer een mooie ervaring! Na de jeepney volgde een tricycle ritje naar de ferry die ons naar Siquijor bracht. Een ferry met soort van vliegtuigstoelen en plastic zakjes die op voorhand werden uitgedeeld voor… Of eigenlijk, dat bleek niet nodig. We deden onze ogen een uurtje dicht en het was een prima bootritje. Een jeepney bracht ons uiteindelijk naar ons strandhutje in Larena, of eigenlijk was het een tricycle die ons het laatste stuk over onverharde weg naar het resort bracht. 

Het huisje was als een droom. Zonsondergang vanaf onze veranda kijken, het geluid van een klotsende zee om mee in slaap te vallen, een ochtendloop over het strand, het bijzondere zeeleven op het bijna droge strand bij eb bekijken en fatsoenlijke Wifi! Eindelijk konden we het vervolg van onze reis plannen en vastleggen. Op zaterdag huurden we voor 250 peso’s (5 euro) een scooter bij ons resort en deden we een rondje eiland. Zwemmen bij de watervallen, een San Miguel biertje hier en daar, lunch met broodjes van de bakker en een nieuwe fles rum ingeslagen. Oh, en de eerste regen maakten we onderweg mee. Gelukkig gebeurt dat hier vaker en staan er diverse huisjes langs de weg om te schuilen. Die nacht vielen we met een combinatie van harde regen en de kolkende zee tegen de kade, weer veel te vroeg in slaap.

Zondag, de laatste dag van de tweede week, bracht ons terug naar de haven van Siquijor, om vervolgens opnieuw een ferry te nemen die via Dumaguette naar Tagbilaran voer. Een tocht van 3 uur met veel te koude airco en het geluid van een film waarvan het bijbehorende beeld alleen in een andere ruimte te zien was. In Tagbilaran aangekomen kozen we voor een jonge tricycle chauffeur die zó z’n best deed om ons naar Panglao Island te mogen vervoeren, dat we ervoor zwichtten. We reden langs een grote mall, die we op de terugweg besloten te bezoeken. Hoewel we in Panglao niet het allermooiste hotel hadden uitgezocht, was dit er wel voor het eerst een met zwembad en goddelijke bedden! We sloten de week af met een heerlijke Westerse burger bij een Belgische Frietkot en een potje pool bij de bar ernaast. Het fenomeen sextoerisme, of eigenlijk vooral de Westerse mannen die naar de Filippijnen gaan om een vrouw te vinden, werd hier in elk geval overduidelijk. Maar daarover in een volgende blog meer…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: